Het moeilijkste vond ik niet dat teams of mensen soms stroef of gespannen waren.

Het ingewikkeldste vond ik dat mensen vaak ergens wel voelden dat er iets niet klopte, maar dat het bijna niet bespreekbaar werd. Alsof iedereen zich een beetje inhield, zonder dat precies duidelijk was waarom.

Want zodra je probeert te benoemen dat mensen zich misschien niet echt vrij voelen om zich uit te spreken, kan er van alles gebeuren. Mensen trekken zich terug. Gaan rationaliseren. Vermijden. Hopen dat het vanzelf overwaait. En eerlijk? Ik heb daar zelf ook vaak genoeg in mee bewogen. Omdat je soms denkt: moet ik hier nu echt aan trekken? Is deze medewerker, dit team of deze dynamiek überhaupt bereid om te bewegen? Of kijk ik naar een berg die niemand echt wil verschuiven?

En dan die vraag die ik mezelf nog steeds stel: wanneer geef je iets de tijd en het vertrouwen om er zelf doorheen te bewegen, en wanneer ben je eigenlijk gewoon iets aan het vermijden omdat je voelt hoe ingewikkeld het gaat worden? Het verschil tussen “trust the process” en vermijden is achteraf altijd helderder dan op het moment zelf. Wat het extra ingewikkeld maakt, is dat dit soort spanning zelden maar op één plek zit. Soms zit iets in de dynamiek van een team. Soms in leiderschap. Soms nemen mensen eerdere ervaringen of onveiligheid mee een omgeving in. En meestal beïnvloedt het elkaar continu. Juist daarom geloof ik steeds minder in simpele verklaringen.

Wat ik wel tof blijf vinden, is dat mensen soms tóch bereid zijn iets aan te kijken waarvan vooraf niemand precies weet wat het gaat losmaken. Een medewerker. Een manager. Dat je samen ergens induikt terwijl je eigenlijk nog niet weet waar je precies uit gaat komen. En dat er dan ineens iets zichtbaar wordt wat al veel langer onder de oppervlakte zat.

Dat blijft voor mij het mooiste aan dit werk.